Parque Nacional del Manú

Pilcopata                                                                                                                                   9-1-2019

Om 5 uur staan we bepakt en bezakt op de stoep van ons hotel; pas tegen 6 uur komt Marco, onze gids, aangelopen met een warrig verhaal over een kapotte auto. Het zal wel, het ware kom je hier toch nooit aan de weet. We moeten lopen naar het Plaza San Blas en worden daar in een taxi geparkeerd. Zelf gaat hij de andere deelnemers aan de excursie naar het Parque Nacional del Manú ophalen. De taxi brengt ons buiten het oude centrum, waar de  bus op ons staat te wachten. Na nog een tankstop bij het benzinestation gaan we uiteindelijk op weg.

Even buiten de stad stoppen we om het voor deze regio beroemde ‘pan caliente’ te kopen, een zoet brood. Na 1½ uur stoppen we in Ninamarca, waar we, op een hoogte van 3730 meter, een begraafplaats van vóór de Incatijd bezoeken. In de kleine, stenen torentjes met cilindrisch dak en een smalle opening naar het oosten, waar de zon opkomt, werden de edelen bijgezet. De mummies zijn ondertussen verdwenen, evenals het goud en zilver dat ze bij zich hadden. Het geheel, in het weidse landschap, maakt indruk.

De volgende stop is Paucartambo. Over de Puenta Carlos III lopen we het centrum van het stadje in. Alle huizen zijn hier wit, de deuren en ramen blauw. Langs de kerk lopen we naar het nog maar 2 jaar oude museum, waar Marco ons vertelt over de levenswijze en gebruiken van de bewoners van de Andes, de jungle en het tropisch regenwoud.

We rijden verder over stoffige, onverharde wegen langs een kolkende rivier. We dommelen wat weg en schrikken wakker als de bus stopt voor de lunch. We staan niet voor een restaurant, maar aan de rand van een afgrond, op een modderige weg. Uit een koelbox tovert Marco 6 plastic bakjes tevoorschijn, met rijstsalade met ei, kip, worst en wat groente. Vertrokken we vanmorgen met mooi weer, nadat we de Andes over getrokken zijn rijden we ineens in de nevel. Het zicht is minder dan 10 m. Pas nadat we flink zijn gedaald trekt de nevel op en gaat het over in regen. Na verloop van tijd gaat het zelfs onweren. De weg is onverhard, slingert langs de rotswanden en rechts gaapt de afgrond. Zo nu en dan moet de chauffeur langs aardverschuivingen slalommen. De chauffeur is ervaren en rijdt rustig. Hij heeft arendsogen en ziet zelfs eerder dan Marco de kaketoe, de groene papegaaien en de cock of the rock (rode vogel met zwarte vleugels), vogels typerend voor de jungle. Langs de weg groeien weelderig de orchideeën. We rijden nu echt in de jungle, mistflarden trekken op tussen de bergen. Uit de loodgrijze hemel valt de regen. Soms is het droog maar niet voor lang. We rijden af en toe door dorpen, die een troosteloze indruk maken. Houten bouwvallen, op palen tegen de termieten. Alles zit onder de modder. Mensen lopen onder paraplu’s, hebben een flut plastic poncho aan of houden bananenbladeren boven hun hoofd. Overal stroomt, kolkt het water. De weg is veranderd in een modderrivier. Onze chauffeur stuurt daar moeiteloos doorheen. Hij is bekend hier, want regelmatig groet hij mensen. We hebben 2 medepassagiers, Canadezen, vader en zoon. Marc is 66 en Justin 10 jaar. Justin is een leuk joch, die zich ondanks de urenlange busreis goed vermaakt, nooit vervelend wordt en op speelse wijze leergierig is. Zijn moeder, en ex van Marc, komt van Sumatra. Vader Marc is meer geïnteresseerd in zijn telefoon, loopt in korte broek op slippers en verroert zich niet. Onderweg koopt hij fruit en noten. De lunch geeft hij onaangeroerd terug. Justin daarentegen eet de hele bak in 2 etappes leeg. Na 11 uur in de bus gezeten te hebben komen we aan in Pilcopata.

Onze lodge voor vannacht is een houten, hoog op palen gebouwde, eenvoudige barak, maar doelmatig met twee bedden, nachtkastjes, stoel en aan 3 kanten ramen, weliswaar zonder glas, maar wel met gaas. De douche en wc zijn buiten, er is geen warm water. In ieder geval maken we vandaag kennis met het nevelwoud en het tropisch regenwoud. Niet de eerste keer, maar nooit op deze schaal. Het Parque Nacional del Manú is voor het overgrote deel niet toegankelijk. Hier wonen nog de oorspronkelijke bewoners, die elk contact met de zogenaamde beschaafde wereld mijden. Als je ze benadert worden ze zelfs vijandig. Om 7 uur moeten we ons melden voor het diner. Het was een lange dag, met veel indrukken. Lag Cusco op zo’n 3400 meter, hier zitten we op 565 meter. De krekels en de kikkers laten zich flink horen.

Boca Manú                                                                                                                                    10-1-2019

Half 6 gaat de wekker. Verkwikt staan we op. Om 6 uur zitten we aan het ontbijt, we krijgen een omelet met peen en iets groens, maar de smaak is goed. Na het ontbijt krijgen we kaplaarzen aangemeten, ter bescherming tegen insecten en slangen. Om 7 uur gaan we de jungle in en maken een wandeling van 2 uur. De bus komt achterop. Marco vertelt honderduit over de planten en dieren. Hij laat ons de cokeboom zien en de vanilleboom, waarvan de schors de karakteristieke geur heeft van vanille (de schors wordt gedroogd en dat is de vanille die wij in de keuken gebruiken). Ook zien we de groene-, rode- en blauwe papagaai, een ‘bullet ant’, die gevaarlijk kan bijten (de beet voelt als een pistoolschot), een ‘stink bug’, die een vreselijke geur schijnt te verspreiden, een aardvarken en een aapje.

Pas tegen het eind van de wandeling gaat het regenen, maar niet voor lang. We gaan verder met de bus en stoppen bij een mirador op de Rio Madre de Dios. Dan zakken we af naar het dorpje Atalaya Port, waar we afscheid nemen van onze uitstekende chauffeur, Marc & Justin en gids Marco, zij gaan een andere excursie doen dan wij. We maken kennis met onze nieuwe gids Wilbert, ‘just name me Taz, that’s my knickname’, en 2 Australische dames van half 30, Jessica & Susan. Nadat het eten en drinken en onze bagage is ingeladen, varen we om 10 uur weg. De boot wordt bemand door de stuurman, een matroos en Betty, de kok. De stroming is stevig, maar de stuurman kent de rivier op zijn duimpje. We vervelen ons geen moment. Als Taz iets ziet draait de boot een rondje om vervolgens stroomopwaarts stil te blijven liggen, terwijl wij kijken naar de gieren, haviken, witte reigers, roze lepelaars, papegaaien, kaketoes en zwaluwen, die laag over het water scheren. Drie keer leggen we aan, voor een plasstop, voor Betty om 2 broden af te leveren bij een lodge en de derde keer om ons de howler monkey, de brulaap, te laten zien, op flinke afstand, hoog in de boom. Taz tovert een telescoop tevoorschijn zodat we de apen, het zijn er zeker 7, goed kunnen zien. Ze springen van tak op tak en vermaken zich prima. Varen op de Val de Rio Madre de Dios is puur genieten. De uitzichten zijn betoverend.

De luchten boven de breed uitwaaierende, snelstromende rivier, omzoomd door de jungle in vele kleuren groen, zijn adembenemend. De lunch wordt aan boord geserveerd in plastic bakjes met deze keer peen, bonen, bloemkool, broccoli, ui, zoete aardappel en een kippenpootje. Tegen 5 uur leggen we in een zijkreek van de rivier aan in Boca Manú, waar we zullen overnachten.

Het dorp is een bonte verzameling van huizen, gebouwd langs een heuse promenade, waar locals flaneren, een kerk, een verenigingsgebouw, tientallen winkeltjes, een bar en een restaurant. Overal scharrelen kippen en eenden. De sfeer is ongedwongen. Niemand heeft haast. De ca. 50 families leven hier zorgeloos in harmonie met het land. Ze maken zich niet druk, ze kijken tv, spelen volleybal of zitten voor hun huis. Om 6 uur floept het licht aan, de generator draait tot 10 uur. Bij één van de winkeltjes drinken we met elkaar een biertje. Het is warm, vochtig, en Taz waarschuwt ons voor de muggen, we moeten ons flink insmeren en vannacht onder de klamboe slapen. Betty staat te koken, om 7 uur wordt het diner geserveerd.

Cocha Otorongo                                                                                                                           11-1-2019

Half 7 ’s ochtends vertrekken we. Eerst varen we een stukje terug naar het punt waar de Rio Madre de Dios samenkomt met de Rio Manú, die we opvaren, dieper de jungle in.

Het water in deze rivier is een stuk rustiger en nu, in de regentijd, bruin van kleur. We moeten ons melden bij het Rangercentre van Limonal, waar we een video bekijken en nadere uitleg en instructies krijgen. Het gebied links van ons, in de hoek van de 2 grote rivieren, is ‘verboden terrein’. Dit gebied wordt bewoond door een nomadenvolk, de Mashco Piro Zij dragen geen kleding en willen niets te maken hebben met de buitenwereld. Als je op hun terrein komt worden ze agressief en is de kans groot dat je beschoten wordt met pijl en boog. Ze kunnen niet zwemmen en hebben geen boten. Volgens de gids zoeken ze de laatste jaren heel voorzichtig toenadering; de oorzaak kan zijn dat er niet voldoende voedsel voor hen is in de jungle. Ze krijgen bananen, maar verder worden ze geweerd, omdat ze niet zijn ingeënt en men bang is dat ze ziekten zullen verspreiden. Bij de volgende stop moeten we de jungle in, naar een lagune. Een omgevallen boom verspert de weg, maar met een machete wordt een ander pad gehakt, terwijl wij worden aangevallen door de muggen.

Met een vlot gaan we de lagune op, het is hier vredig, je hoort alleen de geluiden van de jungle. Otters laten zich niet zien, maar wel een zwarte kaaiman, ijsvogels, kaketoes, witte reigers, parkieten, papegaaien, spechten, apen en schildpadden. Als we afscheid nemen van de lagune regent het. Ook als we weer op de boot zitten blijft het regenen.

We zitten voorin, maar vluchten naar achteren, zodat we droog zitten. De lunch wordt uitgeserveerd in plastic bakjes, saffraanrijst met groente, rozijnen, appel en een kruidige, koude hamburger met uitjes en veel knoflook. Lekker. Na de maaltijd hebben we moeite om onze ogen open te houden. Het vroege opstaan, de lunch en vooral de vele indrukken maken ons slaperig. Ruim 9½ uur later, waarvan 7½ uur stroomopwaarts varen, legt de boot aan. Door het hoge water kunnen we niet gemakkelijk aanleggen. De boot wordt met de voorkant op het zand gevaren; een houten plank dient als loopplank.

Door hoog bamboegewas en immens hoge bomen bereiken we uiteindelijk een open plek, waar de lodges van Camp Paujil onbeheerd staan. Het is een verzameling tenten op houten vlonders waaronder palen en rieten daken, een toiletgebouw met water en een keuken. Stroom is er niet, slechts kaarsen, maar geen lucifers. Snel worden onze bedden opgemaakt en met een bezem de huisjes schoon geveegd, maar ze blijven muf ruiken. We hebben 3 kwartier om van onze verbazing bij te komen. We beseffen dat we nu echt diep in de jungle zitten. Vóór het diner staat nog een wandeling op het programma. We lopen naar een lagune, omzoomd door grasland en jungle, en beklimmen daar een uitkijktoren. In het meer onder ons zwemt een kaaiman langzaam onze kant op en wacht geduldig op zijn prooi. Een rust daalt over je. Alle haast vloeit weg uit je. Langzaam gaat de zon onder.

Als het donker wordt dalen we af en met onze zaklantaarns gaan we op jacht naar de tarantula, een grote, gevaarlijk ogende spin, vuistgrote krekels, wandelende takken en kikker(tjes). De jungle is ’s nachts heel anders dan overdag. Enger, soms zelfs angstaanjagend, maar geleidelijk aan wennen je ogen en je zenuwen aan de omstandigheden. Om half 8 zijn we terug, voor ons diner bij kaarslicht. Uitgeput vallen we na het diner, onder onze klamboe, in een diepe slaap. Morgen om half 5 moeten we weer op.